Artikel
 

Het Kastanjedal

Het Kastanjedal

 
de paardenkastanje
de paardenkastanje

Ten zuiden van Nijmegen rond de bron van een beekje ligt het Kastanjedal. Er staan daar opvallend veel tamme kastanjebomen. Eén ervan is heel oud, vierhonderdvijftig jaar zo is de schatting en erg dik. Ze zeggen dat het de dikste boom van Nederland is. In 1825 verwonderde de Nijmeegse dichter Cornelis ten Hout zich daar al over:

Een dezer boomen, staande aan de oostzijde, is door deszelfs buitengewoon dikken stam inzonderheid merkwaardig, daar een volwassen mensch denzelven in geen drie (keer) reizen kan omvademen.

Hij wordt Kabouterboom genoemd omdat in de holle stam dwergjes zouden huizen. In de Tweede Wereldoorlog overleefde de boom verschillende granaatinslagen, maar nu is het de vraag hoe lang hij er nog zal staan: begin 2005 staken vandalen de oeroude boom in brand en het is twijfelachtig of hij dat overleeft. Er werden kransen gelegd bij de boom en in de herfst zullen de vele grote en kleine mensen die in het Kastanjedal komen rapen, even stilstaan bij de Kabouterboom en zijn lange geschiedenis.

Omdat de Romeinen hier in de winter het kastanjepoffen misten, namen zij de eerste tamme kastanjes mee naar het Rijk van Nijmegen. De Kabouterboom is een nazaat van deze import. Nu staan ze overal in de Nederlandse bossen, plantsoenen, parken en langs wegen met hun langwerpige gekartelde bladeren en - in juni-juli – geven ze lange gele katjes die de bomen een mediterraan aanzien geven.

We zitten hier in Nederland wel zo’n beetje aan de noordgrens want strenge vorst vindt de Castanea sativa niet prettig. Als oorlogszuchtigen en vandalen hem de kans geven, kan hij hoog (meer dan dertig meter), dik en oeroud worden: zeldzame gevallen worden op tweeduizend jaar geschat.

de paardenkastanje
de paardenkastanje
 
de tamme kastanje
de tamme kastanje

Je zou verwachten dat hij familie is van de wilde of paardenkastanje (Castaneaequina), maar behalve naam en op elkaar lijkende vruchten hebben ze niks gemeen. De verse paardenkastanjes zijn fijn om in je handen te houden en leuk om mee te knutselen maar niet te eten: bitter en ongezond. De tamme kastanjes zijn des te smakelijker en voedzaam. Heel veel eiwit, koolhydraten en - uniek voor noten - vitamine C. In Frankrijk en Italië zijn streken waar het voor de armen een van de belangrijkste voedingsmiddelen was. Zelfs in de vorige eeuw waren er op Corsica mensen die nog nooit tarwebrood hadden gegeten: ze maakten hun brood van gemalen tamme kastanjes: l’arbre á pain (broodboom) wordt hij in Frankrijk ook wel genoemd.

de tamme kastanje
de tamme kastanje
 

Vanaf half oktober kan erbij ons geoogst worden. Rapen betekent dat, niet plukken want pas als ze uit de boom vallen, zijn ze rijp. Meestal zie je hun gladde bruine bast net naar buiten kieken door een spleet in de groene, stekelige bolster. Het is een pijnlijk klusje ze daar uit te peuteren. Je zou handschoenen aan kunnen doen maar je kunt ook stevig - maar niet te hard - met je schoen een paar keer over de bolsters rollen, dan floepen ze er vanzelf uit. Wat een rijkdom om met een grote zak vol van die bruin glimmende noten thuis te komen. Niet te lang bewaren, hooguit een paar dagen op een koele plek of twee weken in de koelkast. Inkerven en dan in de diepvries kan ook.

Eindeloos zijn de mogelijkheden om ze te verwerken, maar dan moeten ze nog weleerst gepeld worden en dat is een behoorlijke klus. Geen wonder dat ze in Frankrijk al lang geleden de kastanjepelmachine hebben uitgevonden. Bij gebrek aan zo’n apparaat zijn er grofweg twee methoden: inkerven en dan tien tot vijftien minuten in water koken, laten ‘schrikken’ in een bak met koud water en ze zo heet als je handen kunnen verdragen pellen (dan krijg je het gemakkelijkst het bittere bruine vliesje eraf). Ingekerfde kastanjes vijfentwintig minuten roosteren in een oven op tweehonderd graden kan ook, waarna je ze met een mesje pelt. De kastanjes die je op deze manier bereidt, kun je met melk of yoghurt gebruiken als ontbijt. Ook lekker met slagroom, bij spruitjes, als vulling voor kip en kalkoen, gesuikerd, gepureerd en gezoet, gemalen als meel voor de bereiding van koeken en spaghetti, als bindmiddel, in kroketten, bij de aardappelen, metkool, bij forel, eendenborst, als vulling in flensjes, in Elzassertaart. Om maar eens wat te noemen. Ik maakte er een verrukkelijke terrine van met cantharellen, deed ze in de pompoensoep, maakte zoete mousse en zette ze met koekkruiden op jenever. Maar het meest basaal en gezellig is toch ze gewoon op een zondagmiddag na de herfstwandeling met z’n allen in te kruisen en te poffen, buiten in een gloeiend vuurtje of thuis in de oven. Laat er eentje heel en ga niet boven het vuur hangen. Zodra die ene hele namelijk met een knal ontploft, weet je dat de anderen ook gaar zijn (nadeel van deze methode in een oven is dat die helemaal onder het gruis van de ontplofte kastanje komt te zitten). Laat ze even afkoelen totdat ze aan te pakken zijn, peuzel ze lekker op en denk ook eventjes aan de Kabouterboom.

 

Wie in de late herfst of in de winter weleens in Parijs is geweest, vergeet het nooit meer: de straathoeken en pleintjes waar kleumende mannen of vrouwen puntzakjes met hete, gepofte kastanjes verkopen. Die geur, die warmte, die smaak, die sfeer. Vroeger viel dit trouwens ook in Amsterdam te beleven, dus wat let ons eigenlijk het opnieuw in te voeren? Misschien dat de traditie hier wel is uitgestorven omdat onze zomers niet altijd warm zijn: dan vallen er in de herfst veel minder lekkere kastanjes te oogsten. In Frankrijk zijn ze zo kastanjegek -in de Ardèche, Cevennen en Dordogne heb je hele tamme-kastanjebossen - dat ze er twee namen voor hebben. De Marron is de gecultiveerde tamme kastanje die één grote, behoorlijk ronde noot in zijn bolster heeft zitten en waar de beroemde (gesuikerde) ‘Marrons glacés’ van worden gemaakt. En de wilde Chataigne met drie aan één kant afgeplatte kastanjes in de bolster, waarvan er dan vaak ééntje goed dik is.

 
Michiel Bussink
Verschenen in: Lekker Landschap